BLOG / Ziekenhuis (II)

Ik lig in het ziekenhuis omdat de tweeling al met 32 weken de wereld lijkt te willen bestormen, en ondertussen test A. uitgerekend nu positief op COVID, na veertien maanden voorzichtigheid.

(lees hier deel I van deze blog)

Door zijn testuitslag zal ik mijn ziekenhuisavontuur in quarantaine voortzetten, en moeten A. en Bram eveneens samen thuisblijven. Ondertussen veranderen de gesprekken met de medici. Ze gaan van “je kan elk moment bevallen” naar “je moet hier bedrust houden tot je de 37 weken hebt behaald.” Dat betekent nog een ruime maand plat liggen en staren naar het licht psychotische, maar goed bedoelde bloemenbehang in deze kamer. Niet wandelen of de frisse lucht in. Niet bij Bram zijn, die thuis elke ochtend vraagt waarom mama niet naast papa in bed ligt. Zelfs even naar beneden gaan in een rolstoel is wat betreft de artsen te riskant.

Terwijl ik deze gewijzigde koers op me in laat werken, stuurt A. een appje: hij heeft vanochtend een nieuwe PCR-test gedaan, en deze keer was hij negatief. Wie snapt hier nog iets van?! Hij gaat dit nader onderzoeken en ik geef me maar gewoon over aan het ziekenhuisbestaan, dat steeds meer begint te wennen. Elke ochtend begint met een opgewekte verpleegkundige die mijn temperatuur en bloeddruk meet, om me vervolgens aan een monitor te leggen die kinderen en baarmoeder controleert. Daarna komt de voedingsassistente mijn ontbijtwensen inventariseren (ze voegt daar gaandeweg zelf preventief extra boterhammen aan toe voor mevrouw Vreetzak-Van Staalduinen), doen de artsen hun dagelijkse ronde (altijd in een soort girlband-setting van drie dames), en het resterende deel van de dag valt de overige medische optocht op willekeurige tijdstippen binnen: een lactactiekundige, kinderarts, maatschappelijk werkster (“Oh, lig je te slapen, ik had het niet-storen-bordje niet gezien!”).

Ik vraag iedereen de hemd van het lijf over werk, ziekenhuistaferelen, medische context, huisdieren en namen van hun kinderen (want ik ben nu al helemáál naarstig op zoek naar naam nummer twee). Ik leer door alle naambordjes dat er oneindig veel titels zijn gedurende een geneeskundestudie. Co-assistent, arts-assistent, semi-arts, zaalarts, arts-niet-in-opleiding, arts-in-opleiding, specialist, sub-specialist… Ik bestudeer de onderlinge dynamiek: de co-assistent stelt elke ronde aarzelend de eerste vraag, waarna ze met een zoekende ‘EN NU?!?’-blik naar de zaalarts kijkt. Diezelfde co-assistent zweeft bij het maken van een echo ultravoorzichtig over mijn buik, waar de arts-in-opleiding wat fermer over het oppervlak schuift, en de ietwat ruwe specialist totáál niet meer bezig lijkt te zijn met eventuele pijnzenuwen in je romp of baby’s.

Ik ervaar dat verpleegkundigen fantastisch en onmisbaar zijn tijdens zo’n opname. Ze komen bij elke druk op een knop naar je toe, vragen de hele dag hoe het met je gaat, kletsen met je over diepe en luchtige zaken, stellen je gerust, maken je aan het lachen, brengen je een zoveelste ijsje. Gaandeweg wordt mijn kamer een beetje de kantine waar iedereen even komt ouwehoeren, en ze leren mijn gebruiksaanwijzing ook steeds beter kennen. “Het wordt tijd dat je je kamer opruimt”, spreekt de moeder-overste-verpleegkundige me streng toe, terwijl ze haar kritische blik over de verzameling kleren, tijdschriften en snoeppapiertjes laat glijden. “We begrepen dat u nogal veel om tussendoortjes vraagt, dus we geven u maar even een voorraad crackers, bananen en ontbijtkoek”, licht de voedingsassistente toe, terwijl ze een tot de nok gevuld dienblad op mijn kastje zet.

Na vijf dagen staan de kinderarts en nog twee artsen in mijn kamer. “Ik kom je goed nieuws vertellen”, zegt de kinderarts. “Wij hebben overlegd met de GGD en gaan jullie ontslaan van de COVID-quarantaine. Je man en zoontje mogen weer komen tijdens het bezoekuur.” Ik geloof het niet en drie artsen kijken me zichtbaar ontroerd aan. De volgende dag komt mijn kleine vriend met zonnebril, Kikker-rugtasje en zijn vader de kamer binnenschuifelen, waarna hij alle vindbare knopjes in de kamer indrukt en mijn bed zes keer op en neer laat deinen. Wat heerlijk om ze weer te zien!

Weer een dag later word ik met A. naast me in mijn bed naar de afdeling Neonatologie gereden, om te zien wat ons daar te wachten staat. Ergens tussen de piepkleine baby’tjes, apparaten en slangetjes ligt een tweeling zacht te kraaien in een bedje. Het ontroert me, maar stelt me ook gerust. Deze mensen weten wat ze doen. Tegelijkertijd stuitert mijn eigen tweeling elke dag vrolijk door mijn buik, zijn ze relatief groot voor deze termijn, is hun hartslag stabiel, doen de romp-interne huisvesting en koelkasten het nog prima, zijn al mijn controles goed, en lijkt deze afdeling gevoelsmatig ook weer niet zó dichtbij…

Nog een paar dagen later staan de artsen opnieuw voor mijn deur met nieuws. Ze hebben nog eens met een frisse blik naar mijn diagnose gekeken, en constateren dat het verloop van mijn opname eigenlijk niet matcht met hun aanname dat mijn vliezen zijn gebroken. Ik word opnieuw onderzocht (“Je lievelingsonderzoek!” grapt de co-assistent, nadat ik een eendenbek meerdere keren geïrriteerd heb vergeleken met een soort ruimtestation dat uitklapt), en dan komen ze met het verlossende, onverwachte woord: ik mag naar huis.

De eerdere diagnose wordt verworpen. Het dringt niet tot me door. Ik lig hier al anderhalve week op bed. Ik ging hier toch de rest van mijn zwangerschapsdagen slijten?! “Nee”, zegt de knappe, ferme gynaecoloog die deze wending heeft veroorzaakt met heldere ogen boven zijn mondkapje, “je mag écht weer naar huis. Je mag weer je bed uit. Je kunt in deze laatste periode veel beter thuis zijn. Bij je man. Bij je zoontje.”

Bij de woorden ‘je zoontje’ komt het besef. En de tranen. Ik mag hier weg. Terug naar mijn mannen, van wie ik nog nooit zoveel heb gehouden als de afgelopen anderhalve week. Ik mag naar huis met twee eigenwijze, onnavolgbare, ultra-beweeglijke meiden in mijn buik, die bij nader inzien hebben besloten om tóch nog een tijdje te blijven zitten. Tot wanneer, weet niemand. We wachten het rustig af. Thuis.

Maar gek genoeg zal ik het ziekenhuispersoneel ook een beetje missen. Omdat ik heb ondervonden hoe zij in een onzekere tijd het absolute verschil maakten met hun zorg, gezelligheid en oprechte betrokkenheid.

En omdat ik wil weten hoe het met de date van die ene verpleegkundige afloopt, natuurlijk.

7 Comments

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.