BLOG / Thuis

Ik ben niet helemaal fit en wijk uit naar m’n ouders. Het avondeten mag ik uitkiezen. “Nou Lien”, glundert mijn vader, “volgens mij lust jij wel gebakken aardappels.” Ik vind het prima. Nu mag ik ook nog bepalen wat voor vlees daarbij wordt geserveerd. “Cordon bleu!” roept mijn vader.

’s Middags moet ik van mijn moeder een eind fietsen, want dat is goed voor me. We rijden door de polder, langs de straten waar ik vroeger speelde. De weilanden en kassen van vroeger hebben plaatsgemaakt voor nieuwbouwwijken en wegen. Maar het is er desondanks nog steeds veel groener en weidser dan waar ik nu woon. Ik voel de wind door mijn haren en ik luister naar mijn moeder, die het landschap toelicht.

We stoppen bij het kerkhof, want volgens mijn moeder is het rustgevend om daar te zijn. Terwijl ik per grafsteen bereken hoe vroeg de dode in kwestie overleed en hoe zielig dat voor iedereen was, wijst mijn moeder de stenen van ooms en achternichten aan. Ze geeft de plant op het graf van de buurman water en besprenkelt meteen ook andere graven die er droog uitzien. Ze snuift bij grafstenen waar de tekst bijna niet op past. “Bij mij hoef je niet te vermelden dat ik moeder, vrouw, zus en grootmoeder was hoor. Ik ben gewoon dood.”

Als we weer verder fietsen zien we twee zwanen met hun kinderen. “Kijk, dat zijn onze zwanen!” roept mijn moeder verrukt. “Die hebben hun eieren bij ons achter uitgebroed.” Ik vraag niet hoe ze in vredesnaam ziet dat het de zwanen uit hun achtertuin zijn. Mijn moeder kent iedereen in het dorp, dus ook de zwanen.

Thuisgekomen krijg ik koffie en koek. Ik hoef eigenlijk niet, maar ik moet aansterken, vinden mijn ouders. “En daarom mogen we best allemaal een extra sprits”, vindt mijn vader. Mijn moeder stuurt me met een paar Margrieten naar bed. Met een sinds lange tijd rustig hoofd en een warm hart val ik in een diepe slaap.


 

(bron afbeelding: www.compfight.com)

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.