BLOG / Herfstvirus

De herfst heeft fijne dingen, zoals gekleurde bladeren en binnenblijven-met kruidnoten-weer. Maar het jaargetijde kent ook zijn keerzijdes, en Het Chronische Herfstvirus is er één van.

Ik voel me al een paar dagen een beetje mwah, maar wanneer ik ’s nachts wakker word omdat mijn neus is gestopt met het inhaleren van zuurstof, weet ik het zeker: Het Chronische Herfstvirus heeft me nu definitief te pakken. Ik ga rechtop zitten om naar lucht te happen en ik baal. Niet omdat ik doodga van wat snot, maar omdat Het Chronische Herfstvirus altijd zoooooooo laaaaang duuuuuurt.

Vanaf mijn twaalfde kon ik elke kerstvakantie rekenen op een helse, doch duidelijk afgebakende griep van anderhalve week. Niet fijn, wel overzichtelijk. Die kwaal was eigenlijk altijd een reactie op mijn grenzeloosheid in de maanden ervoor. In de brugklas had ik nog net niet mijn leven gegeven voor een biologieverslag, en als werknemer had ik op mijn tandvlees nét de vele eindejaarsdeadlines gehaald. Vervolgens ging in december de kerstboom aan, en mijn lichtje uit. Kerst, oudjaar, mijn verjaardag: ik beleefde de festijnen meerdere keren met een washandje op mijn voorhoofd en een thermometer in mijn mond.

Dat veranderde toen ik, door schade en schande wijs geworden, mijn leven een stuk minder alles-of-nietserig ging indelen. Ik werkte me niet meer te pletter tot december, waardoor mijn traditionele wintercholera plotseling als sneeuw voor de zon verdween. Ineens werd het einde van het jaar een stuk minder voorspelbaar, totdat bleek dat de wintercholera gewoonweg plaats had gemaakt voor Het Chronische Herfstvirus. Een virus dat vlees noch vis is; je krijgt geen koorts, je hoeft niet in bed te gaan liggen, je kan gewoon gaan werken, maar je voelt je wel minimaal zes weken een verstopte, hoestende en hijgende vaatdoek.

Na een zoveelste nacht vol bijna-doodervaringen door kriebelhoest en neusverstopping, ben ik weer opgelucht dat het eindelijk ochtend is. Ik kijk naar rechts. “Ben je al wakker?” fluister ik tegen A., met een stem waar een gemiddeld brak corpsmeisje jaloers op zou zijn. “JA!” verzucht hij. “Iemand was namelijk de hele nacht aan het hoesten, hijgen, snuiten en stikken….” Want dat is ook nog zoiets van Het Chronische Herfstvirus: niet alleen jij, ook je medemens zit zes weken met je ellende opgescheept. Waarna de rollen nog even omkeren, wanneer jij bent genezen, maar je medemens is besmet.

Misschien vind ik dat nog wel het ergst aan Het Chronische Herfstvirus: dat iedereen om je heen het óók heeft. Pincodes worden ingetoetst met vers behoeste handen en je deelt je treincoupé met hordes snuivende, rochelende en keelschrapende types: ik ben daar gewoon niet voor gemaakt. Maar het aller-allergoorste aan Het Chronische Herfstvirus, zijn de witte papieren zakdoekjes, die ineens overal opduiken. Er wordt uitgebreid in gesnoten, waarna ze in een broekzak verdwijnen, of op de notulen van de vergadering worden gelegd, om vervolgens weer tevoorschijn te komen voor snuitbeurt nummer twee…

Ja, nee, nu ik er nog eens goed over nadenk: misschien was die helse, doch duidelijk afgebakende wintercholera helemaal zo verkeerd nog niet. Hoefde ik tenminste ook niet in die trein vol snot en witte papieren zakdoekjes te gaan zitten.

 

 

Bron afbeelding: www.compfight.com

Add a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.